Bij het op- of afstappen van een trottoir volstaat het te zeggen: “Nu opstappen!” (of afstappen).
Is men meer aan elkaar gewend dan kan een afgesproken teken voldoende zijn, bvb. een druk op de arm of hand.
Het is niet nodig de blinde te laten stilstaan om dan eerst met zijn witte stok tegen de stoeprand te staan tikken om hem deze te wijzen.
Bij trappen en als men deze ook zelf op- of afgaat, verwittigt men eenvoudig: “Opgelet, een trap naar boven!” (of naar beneden), en gaat gearmd de trap op of af.
U kunt ook vragen of de blinde er de voorkeur aan geeft de trapleuning te gebruiken. In dit geval brengt u zijn hand bij de leuning, of u zegt: “De leuning is links (of rechts) van u!”. In elk geal waarschuwt u als de trap eindigt en eventueel terug begint.
Gebruikt u zelf de trap niet, dan wijst u de leuning zoals bovenvermeld.
Het is in geen geval nodig eerst aan het tellen te gaan hoeveel treden er komen, om dit de visueel gehandicapte te kunnen mededelen. In zijn haast vergist men zich toch meestal.
Is de blinde alleen, dan merkt hij het einde van de trap wel door het tasten met zijn witte stok; begeleidt u hem dan kunt u zich het jachtig tellen besparen door hem eenvoudig het eindigen van de trap aan te kondigen.
Is er keuzemogelijkheid tussen een rol- en een gewone trap, dan wort de keuze aan de blinde overgelaten. Bij gebruik van een roltrap moet dit echter altijd heel duidelijk gezegd worden.
